Temse, parel aan de schelde...
"Tempseca feliciter sita ad ripam Scaldis..." zo schreef destijds een Romeins officier bij het aanschouwen van wat nu het huidige Temse wordt genoemd.
Inderdaad : "Temse gelukkig gelegen aan de oevers van de Schelde..."
De oudste sporen van bewoning gaan in de kerngemeente Temse terug tot in de steentijd (11000 - 9 500 vóór Christus). Archeologische vondsten uit de late Bronstijd, de vroege IJzertijd en de Gallo-Romeinse periode worden in verschillende musea bewaard. Temse, de oudste parochie van het Land van Waas, werd vóór 772 gekerstend. Sint-Amelberga bouwde er de eerste bidplaats rond 770. Tielrode wordt het eerst vermeld in 860, Elversele in 1123 en Steendorp (onder de vroegere benaming Scausele) in 1166. Steendorp werd pas in 1881 zelfstandig; voorheen was het een gehucht van Bazel. Al deze plaatsen waren reeds in de Romeinse periode bewoond. Temse werd in 864 door de Graaf van Vlaanderen aan de Sint-Pietersabdij van Gent geschonken. Een gedeelte van Tielrode was kloosterbezit van de abdij van Lobbes. De rest van het grondgebied van de fusiegemeente Temse was bezit van de Graaf van Vlaanderen en was onder de Keure van Waas in verscheidene grafelijke heerlijkheden ingedeeld.
Reeds in de 13de eeuw vormde de kerngemeente Temse een welvarende gemeenschap. In 1264 kreeg de gemeente een weekmarkt, die in 1519 door Karel V hernieuwd en uitgebreid werd met een jaarmarkt. Tot 1460 werd Temse beheerd door een riddervoogd in naam van de Blandinusabdij. In 1491 kocht Roeland Lefèvre, eerste wereldlijke heer, de burcht en de heerlijkheid, die tot de Franse Revolutie door zijn opvolgers werden beheerd. De burcht werd in 1783 afgebroken en vervangen door een kasteel in classicistische stijl, dat op zijn beurt werd gesloopt in 1965. Temse werd in 1796 kantonhoofdplaats.
Door de fusie van gemeenten in 1977 werden Temse, Steendorp, Tielrode en Elversele samengevoegd tot de nieuwe gemeente Temse. |